Citaat 3


Ooit ben ik begonnen aan het pad van zelfontwikkeling, mijn motivatie om er mee te beginnen, waren en zijn nog altijd: mijn kinderen. De dag dat ik stond te roepen tegen mijn dochtertjes van 3 en 1 jaar oud, wist ik: dit is niet de beste moeder die ik kan zijn. Ik wist dat ik beter kon maar ik wist niet hoe. In het verbeteren van de relatie tussen mij en mijn kinderen (tussen mij en iedereen eigenlijk) moest ik eerst en vooral de relatie met mezelf aanpakken. Daaruit volgde vanalles, waaronder deze blog en ook de dag dat ik aanraking kwam met het boek ‘Fluisterkind’ van Janita Venema. Ik vond de titel van het boek zo zweverig dat ik er nooit zelf spontaan in zou bladeren in de boekhandel. In mijn zoektocht naar hoe ik de allerbeste mama kon zijn voor mijn kinderen, bleek dit echt een aanrader. Zo zweverig als de titel in mijn oren klinkt, zo praktisch en concreet en confronterend is de inhoud. Mijn kinderen? Die zetten me keihard met mijn voeten terug op de grond. En daar ben ik ze zo dankbaar voor!

Als mama wil ik niets liever dan dat mijn kinderen gezond en gelukkig zijn en wil ik dat ze de beste versie van zichzelf kunnen zijn. Door de manier waarop ik ze opvoed probeer ik er alles aan te doen om dat ook te realiseren. Dat doen wij ouders allemaal, toch? Het boek Fluisterkind vertelde me dat het omgekeerd precies hetzelfde is. Kinderen willen net zo goed dat hun ouders gezond en gelukkig en de beste versie van zichzelf kunnen zijn. Alleen voeden ze ons niet op, hebben ze niet de woorden of de volwassen hulpmiddelen om ons dat duidelijk te maken. Dus doen ze het maar op hun manier. Door aanhoudend onhebbelijk gedrag raken ons daar in ons onderbewuste. Ze drijven ons schijnbaar tot het uiterste tot we niet meer weten welke truuk we uit welk opvoedboek nog halen kunnen. Het helpt allemaal niks en de frustraties stapelen op. Maar… Onze kinderen proberen ons op die onmogelijke momenten op alle mogelijke manieren te helpen om wat we voor onszelf onzichtbaar proberen houden, zichtbaar maken. Zodat we het kunnen zien, zodat we het kunnen aanpakken. Zodat we ons leven kunnen leven, gezond en gelukkig en als de beste versie van onszelf, voor onszelf en voor onze kinderen. 

Ik ben ondertussen kindertolk in opleiding. Als kindertolk maak ik de vertaling van wat je kind je onbewust wil duidelijk maken. Het is een verrijkende maar confronterende manier om aan de slag te gaan met je eigen pijn. Het is ook de mooiste en meest motiverende manier om onze oude onbewuste weggeduwde pijn bloot te leggen, zodat ze kan genezen. Zodat onze kinderen onze onopgeloste shit niet hoeven mee te dragen. 

Benieuwd naar een kindertolkconsult? Vanaf juli 2018 kan je bij mij terecht. Ondertussen verwijs ik je graag door via http://www.presentchild.com 

Advertenties

Boos! In mijn ideale wereld doe ik dat zo…

Na 6,5 jaar mama, word ik sinds deze maand uitgedaagd in mijn ouderlijke competenties door huiswerk. Vorige week kwam onze oudste dochter thuis met een taakje waarvan ze niet begreep wat de bedoeling was. Ik hielp haar uit de nood, en kwam tot de pijnlijke vaststelling dat ik het ook niet helemaal begreep. Ik dacht het zó was en zij zei dat het ánders was waardoor ik twijfelde en zij hysterisch reageerde: “het eerste leerjaar is vééél te moeilijk mamaaaaa”. O jee, dacht ik. Ik heb toch gestudeerd? Hoe moeilijk kan dit zijn? We spraken af dat we het de volgende ochtend samen aan de meester zouden vragen. Dat was goed, knikte ze.

Onze dochter bleef boos (maar niet lang)

Maar ze bleef boos zitten. Ik vroeg haar of ze de boosheid er even in de tuin wou gaan uit roepen. Ze knikte opnieuw maar bleef wat twijfelend staan aan het schuifraam. Wil je dat ik met je mee ga gillen?, vroeg ik. Ze knikte. Dus dat deden we dan. Midden in de tuin telden we af:

‘3, 2, 1… Aaaaaahhhhh!’

We deden het tot drie keer toe. Ik genoot er zelf ook van, even alles eruit krijsen. Nog meer genoot ik hoe ik haar boosheid zo zag verdwijnen. Lachend duwde ze me al knuffelend in het gras. Héérlijk!

Mijn man, haar papa kwam thuis, bekeek het huiswerk, zei dat ze het moest doen zoals ik het ook al zei maar hij deed dat zonder twijfel, zonder aarzeling. Ze maakte de taak en eind goed, al goed. Mijn kind had behoefte aan duidelijkheid en zekerheid, een leidende hand die haar ondersteunt in haar twijfels en verwarring van alles wat nieuw is, in die eerste weken van september. Haar vader en ik, wij zijn een fantastisch team.

En toen werd ík boosBoosKrijsenBlij

Later die avond las ik dit artikel met als titel ‘leer je kinderen dat krijsen niet helpt’. Ik verslikte me verschillende keren in mijn kopje thee tijdens het lezen van dit stuk. Psycholoog Lester Hoekstra beschrijft een vakantie op een camping met krijsende kleuters en ouders die niet ingrijpen. Hij adviseert:

‘Meteen duidelijk laten weten dat hij zijn gekrijs moet staken. Desnoods met een corrigerende tik. In ieder geval zonder uitleg maar “omdat ik het zeg”.’

Ik werd boos, bozer, boost. Bloggen is voor mij soms ook een beetje krijsen. Meneer Hoekstra, u bent gewaarschuwd. Hier ga ik: 3, 2, 1… Aaaaahhhh!

Een kind krijst niet zomaar. 

Een baby wordt geboren en als alles goed gaat, werkt alles perfect. De baby kan nog niet praten, het kan het nog niet zeggen als het iets nodig heeft. Dus als de baby iets nodig heeft, dan weent het. Krijst het! Een baby huilt omdat het honger heeft, een droge pamper nodig heeft, zich eenzaam voelt, ziek is. Bij baby’s zijn oorzaak en aanleiding vrij gelijklopend. Ik onthoud me uitdrukkelijk over huilbaby’s, die heb ik gelukkig nooit gehad.

De aanleiding om te krijsen is (bijna) nooit de oorzaak.

Zodra de baby leert praten, wordt het makkelijker om het te kunnen geven wat het kindje nodig heeft. Maar ook kinderen kunnen niet altijd de woorden vinden voor het vervelende gevoel in hun lijfje. En al helemaal niet als het kookpunt al bereikt is. Als ouder moet je op zoek gaan naar wat het nodig heeft. Maar bij jonge kinderen kan de aanleiding (geen choco krijgen op de boterham) om te gaan krijsen vaak wel iets anders zijn dan de oorzaak. Als ik mijn dochters even laat uithuilen, stoom afblazen en het kookpunt laat zakken, komt daarna meestal wel naar boven wat er écht aan de hand is. Dan gaat het nooit over choco maar wel over de kleine en grote verdrietjes van kleine kindjes.

Het uiten van je emoties maakt van kinderen écht geen ettertjes.

Maar goed, daar zit je dan, met een krijsend kind en het schaamrood op de kaken ergens op een openbare plaats naar keuze. Wat moet je dan? In mijn ideale wereld zijn alle volwassenen volledig in balans met hun eigen emoties en weten ze perfect om te gaan met boze krijsende kindjes. In mijn eigen kleine ideale wereld lukt het me elke dag beter en beter. In al mijn werelden, ideaal en reëel, is een ‘corrigerende tik’ uitgesloten. Onbestaand. No way.

Advies!

Alstublieft, lezers, ga zelf eens krijsen als je de boosheid voelt opkomen. Vraag een momentje de tijd, ga even naar buiten en laat je even gaan. Krijs even mee met de kindjes op de camping. Ga even voelen en ervaren hoezeer het oplucht. Laat mij weten hoe het ging en wat het met je deed. Ik wacht je alvast met open armen op voor een hele dikke knuffel.

Vive la Tourette! Hoe zot ben jij?

Mijn 16e verjaardag. Net oud genoeg voor mijn eerste vakantiejob. De zomervakantie was warm en bruiste van spanning. Ik zou iets nieuws gaan doen! Voor de eerste keer zou ik echt werken en daarvoor betaald worden. Zeven zomers werkte ik met hart en ziel op de huishoudelijke dienst van een psychiatrisch verzorgingstehuis (PVT).

Eindstation of vagevuur

Het was mijn eerste kleine bijdrage om een wezenlijk verschil te kunnen betekenen voor een groep mensen en de wereld waarin ze leven. Hoe klein mijn verschil ook betekende en hoe weinig ideaal hun situatie ook was (alhoewel, wie ben ik om dat te zeggen?). Een psychiatrisch verzorgingstehuis is het rusthuis van de zotten. Het eindstation voor wie in dat circuit zit. Als je hier terecht komt, geraak je hier nooit meer weg. Tot de dood.

Toen ik er begon, was het tehuis nog voorbehouden voor vrouwelijke patiënten. Die waren zoals je verwacht in een rusthuis oud, ouder en oudst. Ik zag dat op zeven jaar tijd veranderen: de vrijgekomen plaatsen van overleden patiënten werden ingenomen door nieuwe patiënten, vrouwen én mannen. En die werden steeds jonger.

Het greep me bij de keel. Stel je voor. Dat je veertig jaar bent. Dat ze met jou geen weg meer kunnen. Dat ze de hoop opgeven. Dat je daar belandt. Dat je gewassen en gevoed wordt, weliswaar met de allerbeste zorgen van uitstekend personeel. Stel je voor, dat jij zo bent. Dat ze je elke nacht isoleren, fixeren, medicineren. Platspuiten. Doorligwonden. Pijn. Daarvoor verzorgd worden. En weer opnieuw. Tot de dood.

Dat gebeurde niet met alle patiënten, zeker niet. Maar het zijn wel situaties van mensen die zo ziek zijn dat het me raakte tot in het diepste van mijn ziel.

Voor de veiligheid

Mijn werkdag begon met het verzamelen van alle waszakken op alle gangen. Grote gemeenschappelijke zakken was, gesorteerd volgens kookwas of gewone was. De karren vol vuile was buiten zetten en de karren propere naar binnen.  Als alle patiënten naar beneden waren, mochten ze voor de rest van de dag niet meer naar hun slaapkamer. Zo kreeg ik de tijd om de propere was te sorteren en ordenen en  alles in de kasten van de patiënten te leggen. Alle kamers zijn allemaal precies hetzelfde, slechts sporadisch was er een persoonlijk element op de kamer zichtbaar. Een kaartje. Of een Mariabeeldje. Sommige kasten waren op slot en dan had ik een loper. Patiënten kunnen niet zonder toestemming aan hun eigen spullen. Soms hadden ze die niet eens. Voor hun eigen veiligheid.

Meer dan eens werd ik er op de gang overweldigd door de penetrante walm van doorligwonden, de indringende geur van oude mensen en ontsmettingsalcohol. Soms paniek ook bij de gedachte dat ik hier zelf ooit zou belanden om nooit meer weg te geraken. Het gevoel van nutteloosheid en doelloosheid, van wachten op het einde. Het is als palliatieve zorgen krijgen terwijl je nog twintig jaar te leven hebt. Of meer.

Tijd en boterhammen

Het grootste deel van de tijd bracht ik door in de keuken. Patiënten leven er van maaltijd naar maaltijd. Om half zeven ’s ochtends en om vier uur ’s middags verzamelde ik tien broden, het broodmes, smeermes, boter, confituur, en afhankelijk van de dag ook kaas of charcuterie. Door de week bruin brood, alleen op zondag koekenbrood. Altijd hetzelfde brood van dezelfde bakker. En smeren maar. Nooit sandwichen of pistolets. Ik zorgde voor gesmeerde boterhammen, , met of zonder confituur, dieet of gewoon, met of zonder korsten, in stukjes gesneden of heel gelaten. Ondertussen zette ik 10 liter koffie, dat deed ik ’s ochtends twee keer, ’s middags en ook nog ’s avonds. De avond begint in een PVT al om 16u30. Verder deed ik er de afwas.

Vive la Tourette

Soms mocht één van de goeie patiënten komen helpen. Het was een voorrecht voor wie braaf was, goed kon werken en niet lastig deed. Jill (*) was 84 jaar en leed onder andere het syndroom van Gilles de la Tourette. Ze maakte me vaak aan het lachen maar even vaak stond ik met mijn mond vol tanden, sprakeloos. Als jong en naïef meisje sprak ze me aan met “schuun peird” . Ook wist ze me samen met de andere patiënten te verbazen toen ze allemaal en zonder uitzondering op 21 juli uit volle borst het integrale Belgisch Volkslied woord voor woord meezongen. Ik was getuige van een samenhorigheid en trots voor onze natie zoals ik het nooit eerder en ook nooit meer elders heb gezien. En dat Koning Albert toch niet Boudewijn was. Opnieuw en opnieuw. En opnieuw.

Jill vertelde me tijdens het afwassen sappige verhalen over haar jonge jaren toen ze van bil ging in de struiken met haar favoriete schlagerzanger. Als ze tekeer ging tegen de andere bewoners gebeurde het wel eens dat iemand iets terugriep. Zo stond ze in het deurgat van de keuken toen een patiënte tegen haar siste: “Gij. Gij zijt zot, gij.”

Uitzinnig van woede keerde ze zich naar mij en tierde: “Zot! Zot! Ikke zot!? Ik ben niet zot! Gulder zijt allemaal zot! Iedereen is zot!!! Behalve ik!”

Toen, sindsdien en nu nog, als ik overweldigd word door de miserie van de grote wereld en de worstelingen en strubbelingen in onze eigen kleine wereldjes, vraag ik mij af:

Misschien had ze wel gelijk?

tourette

Moed’ers

Ik schrijf deze blogpost verspreid over twee dagen. Stukjes in mijn bureau, in bed, in de zetel, fragmentjes op mijn telefoon, de pc en de ipad. ’s Morgens wanneer ik verplicht te bed blijf in afwachting van het verrassingsontbijt. ’s Middags wanneer ik inspiratie vind tussen de bezoekjes aan mijn moeder en schoonmoeder door. In de late namiddag wanneer ik in de zon geniet van mijn spelende kinderen en mijn klussende man. ’s Avonds wanneer ik in de zetel plof met mijn baby op schoot. ’s Nachts wanneer ik opsta voor diezelfde baby en hij mij inspireert.

Het me niet gelukt om deze blogpost te posten op Moederdag. Ik ben een dag te laat en dat is ok, gezien mijn functie mag ik mij dat permitteren. Ziehier mijn bescheiden staat van dienst:

CV als moeder

Als moeder ben ik kunstenares. Moederschap is immers kunst in haar meest pure vorm. Met slechts één zaadje per stuk creëerde ik flinke baby’s van 3,750 kg, 4,040kg en 4,600 kg. En ze blijven groeien, veranderen en transformeren, net als ikzelf. Als moeder ben ik ook CEO van mijn gezin (duobaan met mijn man). Moeder zijn is een topjob. Ik leerde het van de allerbesten: mijn eigen moeder, mijn grootmoeders en mijn schoonmoeder deden het me glansrijk voor. Als moeder ben ik ook topsporter op het hoogste niveau. Cf.drie bevallingen en daarvan recupereren met onderbroken nachten. Ik won elke keer goud en ben voor altijd nummer één voor mijn kinderen. Zoals mijn moeder dat ook voor mij is. Concurrentie is onbestaand, of blijft mijlenver achter. Als moeder ben ik moedig, want dat er voor moederschap moed nodig is, staat in het woord zelf geschreven.

Moed’er

Moeders gebruiken elke dag opnieuw hun moed om door te gaan en te blijven staan. Moed om op te staan of om juist te blijven liggen, te struikelen en weer recht te krabbelen. Moed om te het verdriet te dragen als je geen moeder mag zijn als de natuur of omstandigheden anders hebben beslist. Moed om te kiezen om geen moeder te worden (ook dat kan moederliefde zijn). Moed om te zorgen voor kinderen wiens moeders er niet of niet meer zijn. Moed om de zorgen te delen met de echte moeder, de plusmoeder, de pleegmoeder, de onthaalmoeder. Moed om die kwetsbaarheid te tonen of om ze juist doeltreffend te verstoppen.

Kwetsbaar

tijgerNooit waren mannen zó attent, beschermend, aangenaam of charmant onbeholpen als toen ik zwanger was. Mannen lijken mij dan instinctief te willen beschermen alsof ik breekbaar was.

Als ik terugdenk aan die charmante voorzichtigheid met mijn kwetsbaarheid ontroert het me nog steeds. Eens het kindeke geboren is, stopt die kwetsbaarheid niet, integendeel.

Als je mij wil raken, dan kan je dat het snelst en effectiefst via mijn kinderen. En het geldt ook omgekeerd. Raak je mij en dat heeft gevolgen voor mijn kinderen, dan schakelt de ratio uit. Vreselijk kwetsbaar. Als een kat in het nauw zal ik snauwen en klauwen, blazen en krabben. Vluchten. Vechten als het moet.

Van moed blijft er dan even niet veel meer over. Ook dat is moeder zijn.

courage

Brene Brown

Over grote en kleine mensen

Als klein meisje wou ik altijd graag groot zijn. Precies zoals de grote mensen en volwassen zijn. Eindelijk volwassen zag ik in dat mijn beeld over volwassenen kinderlijk naïef was en een illusie. Volwassenen zijn groot maar gedragen zich zo vaak als kleine kinderen. Ik ook.

De spelregels van het leven werden er bij elk van ons in onze kinderentijd  in gedreund door iedereen betrokken in onze opvoeding. Herken je deze nog?

Samen spelen is samen delen!

Al wat je zegt ben je zelf!

Geen ruzie maken!

Niet roepen!

Stilzitten!

Overeenkomen!

Doe je best!

Lief zijn voor elkaar!

Eerlijk zijn!

Niet de baas spelen!

Anderen ook aan de beurt laten!

Niet roddelen!

Niet klikken!

Niet wijzen!

Niet opgeven!

Niemand uitsluiten en niemand pesten!

Zeg dat het je spijt en geef elkaar een knuffel!

Woorden zijn slechts 7 procent van de communicatie. Wat we als kind écht leerden van ‘de volwassenen’ is echter de overige 93 procent van de boodschap. Niet wat je ouders zeggen maar wat ze doen; dat is wat je hebt geleerd als kind, dat is wat je je eigen kinderen leert. Om even te onderstrepen dat beeld krachtiger is dan ook mijn eigen woorden, kijk eens naar dit filmpje: Children See Children Do.

Welk zinnetje of regeltje heb jij wel honderdduizend keer gehoord? Welk zinnetje of regeltje blaas jij dagelijks gefrustreerd naar je kind? Gevolgd door ‘hoeveel keer moet ik dat nu nog zeggen!?’.

In de hoop dat onze kinderen het beter zullen doen, drammen we de boodschap er elke generatie nog luider in. Maar het werkt niet. En elke generatie wordt de miserie erger. Er zijn er die zeggen dat het niet waar is. Dat de wereld nooit vrediger was dan vandaag. Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik intens triest wordt als ik naar het nieuws kijk. Weinig van de spelregels die we als kind hoorden worden in de grote boze wereld toegepast. Het is een vreselijk spel van alleen maar ruziemaken, trekken en duwen, snauwen en snakken, van baasspelers en onderspitdelvers, van hard en grof en vreselijk oneerlijk, van valsspelen en kwaadspreken. Ook ik speel het spelletje mee, terwijl ik besef dat het anders moet en anders kan.

Op wereldschaal vind ik het overweldigend en verlammend, het gevoel dat ik als klein persoontje daar eigenlijk niks kan aandoen behalve wezenloos, machteloos en vreselijk gechoqueerd naar het nieuws te kijken (waar is het zinnetje ‘niet voor gevoelige kijkers’ naartoe?). En ik kan een gift doen om mijn onbehagen te sussen. Maar ik blijf ermee zitten en krijg er het gevoel dat ik een aflaat koop er ook nog bij.

En toch wil ik de wereld nog altijd veranderen, al is het maar alleen mijn wereld.. Minstens voor mijn kinderen. Als ik hen wil leren samen spelen en lief zijn voor elkaar, eerlijk zijn en voor elkaar zorgen, als ik hen wil leren praten in plaats van schelden, als ik hen wil leren spijt tonen en anderen vergeven, dan moet ik het eerst zelf doén in plaats van alleen maar eindeloos zeggen en herhalen.

Ik realiseerde me ik dit alles ‘weet’ maar niet ‘doe’ omdat ik niet wist hoe. Als een echt klein meisje ging ik terug naar school (deze school om precies te zijn) om alle lessen opnieuw te leren. Die school: het is er hard werken, het is moeilijk en de juffen zijn soms best heel streng. Zoals alles wat nieuw is, moet je het oefenen en oefenen en nog eens oefenen, elke dag opnieuw. Je best doen, hoeft daar niet, tenzij voor jezelf. In deze school krijg je ook geen punten. Fouten maken en zwaar op je bek gaan, is daar helemaal ok, het hoort erbij. Je kan er niet buizen of verliezen. Je leert er terug stappen en de vaste grond onder je voeten voelen. En val je toch, wat ongetwijfeld gebeurt, dan leer je weer rechtstaan en moedig doorgaan.

Het kleine meisje dat ik was, wordt stilletjes aan eindelijk echt volwassen, ook al is ze ondertussen wel wat bang geworden om helemaal groot te zijn.

6 lessen die ik leerde toen mijn zus een maagverkleining liet doen

Mijn zus liet in november vorig jaar een maagverkleining doen.

Laat ik maar meteen moedig zijn en eerlijk bekennen: er was veel onbegrip van mijn kant. Alleen maar onbegrip, zo moet dat gevoeld hebben voor haar, denk ik. Maar onder al dat onbegrip zaten mijn zorgen verborgen. We voelden ons allebei onbegrepen en daar schoten we allebei niks mee op. Ik leerde bij en ik wil dat met jou delen, lezers van mij. Voor als ook jij iemand in je omgeving hebt die worstelt met zichzelf en/of de kilo’s.

Les 1 Praat?

Zij was dik en ik ben slank. Ik vind mezelf ook tien kilo te zwaar. Drie baby’s later en mijn buik-billen-borsten-zone lijkt nergens meer op. Vind ík. Zij vindt dat ik niks te klagen heb. Over mezelf praten met haar kon ik niet. En zij al helemaal niet met mij.  Praten over mijn bezorgdheden over haar plannen was extra moeilijk. Dacht ík. Dus praten deden we niet rechtstreeks, maar via via. Niet doen. Nooit. Het zorgde voor nog meer onuitgesproken zorgen bij mij, onbespreekbare spanning tussen ons beiden, en zij voelde zich ondertussen nog meer onbegrepen én ongehoord. Ik geloof dat ik de eerste les niet goed gesnapt heb.

Les 2 a. Informeer je.

Een zorg van mij was: er wordt gesneden in je lijf, je laat een stuk wegsnijden, en dat is dan voor altijd weg. Ik las dat er bij een ‘gastric-bypass’ niks wordt weggesneden. Ik las dat het omkeerbaar is, mocht dat nodig zijn of mocht mijn zus dat willen. Aha. Diepe zucht en een oef. Informeer je. Google dient daar voor!

Les 2 b. Informeer je heel precies.

Ik slaagde erin mijn zus een vraag te stellen over haar “gastro” bypass. Nu kan ik er mee lachen. Ik hoop zij ook. Maar ik kon wel door de grond zakken van schaamte toen ze me erop wees dat het “gastric” bypass is. Net nu ik een nieuwe poging deed om erover te praten. Nu ik dit schrijf klinkt het zelfs helemaal niet zo erg. Gastro-bypass zegt men in de volksmond wel vaker. Maar op het moment zelf vond ik het zo belangrijk om te kunnen praten en blijven praten en vond ik deze malheur van mezelf bijna onvergeeflijk. Zij gaf er niet om, integendeel!

Les 3. Praat opnieuw. Luister. En steun!

Yep, dat waren we aan het doen. Opnieuw praten. We probeerden het eerst voorzichtig via mail. De ijsbreker die we nodig hadden. En wat een opluchting toen we eindelijk rond tafel zaten en praten. Ik kon vragen stellen en luisteren en zij kon vertellen en voelde zich gehoord. Ik vertelde niet over mijn eigen worstelingen met twee, vijf of tien kilo. Daar heeft ze niks aan. ’t Was een fijn gesprek. Een week of drie na de operatie vertelde ze me dat ze zo’n verse hamburger eigenlijk wel miste. Dat ze dat niet meer op kan wegens veel te groot! Ik ging die avond naar den Delhaize en vond daar dit:

9 ieniemienie hamburgers

9 ieniemienie hamburgers

Ik deed ze haar cadeau en zij voelde zich daardoor gehoord en gezien. Ze vond het grappig en lief. Terzijde: ze smaakten walgelijk. Ze kreeg er geen twee binnen en had last van ‘dumpingsyndroom’ (google!). Maar ze voelde zich wél gesteund.

Les 4. Oordeel niet.

In een ander leven was ik ongetwijfeld rechter. Koelbloedig, onvermurwbaar, keihard. Zeg niet: “Dat is wel gemakkelijk hé, zo’n operatie”. Zeg niet: “Dat is wel een vreselijke straf voor jezelf, voor altijd kinderporties”. Vraag niet: “Kan je niet beter de oorzaak aanpakken en in therapie gaan?” Vraag niet: “Waaróm eet je zoveel?”. Op het moment dat iemand zo’n beslissing neemt, zijn alle andere opties reeds overwogen, uitgeprobeerd en geen afdoende oplossing gebleken.

Vraag ook niet: “Waarom zou je aan je lichaam laten prutsen als dat niet écht noodzakelijk is?” Die vraag van mij is flinke zever. Want totdat ik een ooglensoperatie kan betalen, draag ik ook liever lenzen dan een bril. En zolang ik geen implantaten kan betalen schaam ik mij dood over die twee zwarte gaten in mijn gebit (die verder niemand ziet). En ja, ook ik overweeg nog altijd plastische chirurgie voor een litteken op een vervelende plaats waardoor ik niet altijd kan dragen wat ik wil. Dus nee. Ik oordeel niet (meer). Ik probeer het elke dag opnieuw niet meer te doen. Dat blijft dagelijks oefenen.

Les 5. Accepteer de keuze

Emmer geen algemeenheden als “maar ik vind dat je er nog goed uit ziet” of “ik vind dat helemaal niet nodig”. Opper geen goedbedoelde adviezen als “kan je niet nog eens de weight watchers proberen?”. Mijn oplossing voor mijn issues bleek therapie, en ik voel me sindsdien zoveel beter. Ik kan het iedereen aanraden. Ook mijn zus.

Kijk. Ik ben vreselijk bezorgd. Zo’n maagverkleining betekent dat je je moet laten opereren onder algemene verdoving. En ik heb de overtuiging dat elke operatie nog steeds niet zonder risico is. ’t is mijn zus. Ik heb er maar één, en zelfs als ik er twee had dan zouden mijn zorgen voor deze zus niet minder zijn. Ik zie ze graag en ik wil niet dat haar iets overkomt.

Maar mijn oplossing hoeft niet de hare te zijn. Het is haar beslissing, haar keuze. En zij heeft veel meer aan mij als ik haar keuzes accepteer dan als ik haar probeer te pushen naar iets wat zij niet wil.

Les 6. Respecteer

In mijn ideale wereld zijn er geen problemen, wel uitdagingen. De uitdaging was voor ons allebei om ons beter te voelen. Hoe kan ik deze beslissing van haar begrijpen, terwijl het nooit mijn keuze zou zijn om zoiets te doen? Alhoewel, nooit? Ik sta niet voor die keuze, ik hoef die niet te maken. We voelden ons allebei niet goed, we zochten en vonden een oplossing, elk op onze eigen manier. Dat vergt moed. En het is ons allebei gelukt. Respect, Zus!

In het bos daar staat een huisje

Ken je Brené Brown al? Haar speech over kwetsbaarheid staat in de top 10 van meest bekeken TED Talks ooit. Ik heb haar 18 minuten durend praatje op mezelf toegepast/geprojecteerd. Ik schraap mijn moed bijeen en deel het hier met jou.

Het begin: maak een lijst van al je goede en slechte kanten. Doe je mee?

Bij mijn eigen lijst stel ik vast dat het rijtje slechte kanten het langst is. Het is ook het makkelijkst om op te stellen. Ik heb het moeilijker om te praten over wat ik goed kan dan om te benoemen wat ik niet goed kan. Ik fop mezelf daarmee, want er is heel veel wat ik goed kan. Ik geef mijn ‘mindere kantjes’ gewoon veel meer aandacht. Ik ben bijvoorbeeld absoluut niet geduldig. Vreselijk ongeduldig, eigenlijk. En dat ene dingetje weegt zwaarder door dan dat ik empathisch en zorgzaam ben, en ook wel optimistisch en loyaal. Hoe zit dat bij jou, lieve lezer?

Van waar toch al die aandacht voor wat niet goed is? Brené zegt dat dit komt uit angst. Angst om niet goed genoeg te zijn: niet knap genoeg, niet smal genoeg, niet slim genoeg, niet vlot genoeg, niet rijk genoeg, niet interessant genoeg, niet geduldig genoeg. Waarom of waarvoor of voor wie niet genoeg?

Omdat ik doodsbang ben om het niet waard te zijn om geliefd te worden. Zegt zij. En dat maakt mij ongelooflijk kwetsbaar. Mechanismen in mezelf beschermen me door al die kwetsbare gevoelens door ze te verlammen. Ik verlam mijn gevoelens uit angst om als een klein konijn te worden neergeschoten, platgewalst, voorbijgelopen, achtergelaten in het bos. Laat mijn in uw huisje klein, ik zal u dankbaar zijn.

Die angst, die gevoelens, probeer ik te stillen door teveel chocolade te eten, een glas wijn teveel te drinken, te facebooken, te shoppen, me te focussen op de uiterlijkheden van ons huis, in plaats van te focussen op mijn innerlijke wereld. Want het is daar doodeng.

Ik kan het bijna niet geloven wat Brené zegt als ik het toepas op mezelf. Toch weet ik, voel ik dat ze gelijk heeft. Hoe kan dat nu? Ze gaat verder: als je die vervelende gevoelens stilt, dan stil je ook de heerlijke gevoelens van blijdschap, geluk en dankbaarheid. Je stilt al je gevoelens. Allemaal.

Samengevat: Als ik als klein konijntje me verstop in een huis, dan word ik beschermd tegen de enge jager, maar ervaar ik niet meer het plezier van leven in het bos.

Ik ben een gedomesticeerd konijn. Dat kan toch niet waar zijn!?

Ik schraap mijn moed bijeen en doe wat Brené deed. Ik ga in therapie.

Dat was twee jaar geleden. En nu ik dit schrijf weet ik: ze heeft echt gelijk. Ik heb veeeel gevoelens gestild, ook de goede. Ik kan niet liefhebben als ik niet kan haten, ik kan niet blij zijn als ik niet kan boos zijn. Dat is de definitie van leven, en van de dood,  van eb en vloed, op en neer, het één kan niet zonder het ander. Er is moed en durf nodig om het allemaal te durven toelaten.

Brené Brown spreekt én schrijft. Haar boek “De kracht van kwetsbaarheid” is één van mijn favorieten uit het departement non-fictie *slash* persoonlijke ontwikkeling. Ze begint haar boek met een fragment uit ‘The man in the arena’, een fantastische speech van president Roosevelt Franklin uit 1910.

‘Het is niet de criticus die telt; niet degene die ons erop wijst waarom de sterke man struikelt, of wat de man van de daad beter had kunnen doen. De eer komt toe aan de man die daadwerkelijk in de arena staat, zijn gezicht besmeurd met stof, zweet en bloed; die zich kranig weert; die fouten maakt en keer op keer tekortschiet, omdat dat nu eenmaal onvermijdelijk is; die desondanks toch probeert iets te bereiken; die groot enthousiasme en grote toewijding kent; die zich helemaal geeft voor de goede zaak; die, als het meezit, uiteindelijk de triomf van een grootse verrichting proeft, en die, als het tegenzit en als hij faalt, in elk geval grote moed heeft getoond…’

Wie de arena ingaat wordt bekeken en wordt gezien. Diegene die er durft te staan, is kwetsbaar. Het kleine konijn dat ik ben is kwetsbaar in het grote bos. Er zijn jagers die me heel makkelijk kunnen bekritiseren, beschimpen, platwalsen, neerschieten. Dat mag mij niet weerhouden om in dat bos te blijven. Om te blijven bloggen over mijn ideale wereld waarin we allemaal de moed vinden om ons kwetsbaar op te stellen. Een wereld waarin we allemaal konijntjes zijn samen in het grote bos.

Hoe zit het met jou, lieve lezer? Ben jij ook een gedomesticeerd konijn? Of leef je vrij en zonder angst in het bos? Heb je de moed om het veilige huisje uit te gaan?